Wet- en regelgeving straatverbod en/of contactverbod

Bij de beoordeling van vorderingen om een straatverbod en/of contactverbod op te leggen, is de volgende wet- en regelgeving van toepassing.

Artikel 8 EVRM – Recht op eerbiediging van privéleven, familie- en gezinsleven

Artikel 8 EVRM ziet op het recht op een ongestoord privéleven. Dit recht geldt zowel voor de eisende partij, maar ook voor de beklaagde partij. Met het oog op de beklaagde partij is bovendien van belang dat die door artikel 8 lid 2 EVRM wordt beschermd tegen onnodige en inbreukmakende overheidsbemoeienis.

In artikel 8 EVRM is het volgende bepaald:

1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Artikel 12 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR)

Ook in artikel 12 IVBPR regelt het grondrecht van bewegingsvrijheid. In het artikel wordt het volgende bepaald:

1.Everyone lawfully within the territory of a State shall, within that territory, have the right to liberty of movement and freedom to choose his residence.

2.Everyone shall be free to leave any country, including his own.

3.The above-mentioned rights shall not be subject to any restrictions except those which are provided by law, are necessary to protect national security, public order (ordre public), public health or morals or the rights and freedoms of others, and are consistent with the other rights recognized in the present Covenant.

4.No one shall be arbitrarily deprived of the right to enter his own country.

Artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW)

Artikel 6:162 BW is het algemene artikel dat ons Burgerlijk Wetboek kent om tot een aansprakelijkheid te komen wegens onrechtmatig handelen van een persoon. In dit verband gaat het om inbreuken die worden gemaakt op de persoonlijke levenssfeer. Artikel 6:162 BW vormt de wettelijke grondslag op basis waarvan het is toegestaan om inbreuk te maken op de aan de beklaagde toekomende grondrechten.

In artikel 6:162 BW is het volgende bepaald:

1. Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.

2. Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.

3. Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.

Deel deze paginaShare on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden